Eer in het hart van het toevluchtsoord
Een gedicht van Jonathan Carrier, alias Jodycar.
Jonathan schreef dit gedicht ter ere van het bezoek van Zijne Majesteit de Koning aan de kantoren van DIOGENES op 3 maart 2026.
Gisteren nog waren de Brusselse straatstenen mijn enige schreeuw,
De Brusselse bossen mijn enige bed,
Onder een dunne zeil,
Een tent tegen de wind, tegen de minachting,
Ik schreeuwde de glazen die ik dronk,
Mijn woede in de holte van een beker,
Schaduw tussen de schaduwen die door de regen werden geteisterd.
“Het is niet makkelijk, het beest”,
Zei men in koor en lachend,
Toen een van de medewerkers van de vzw Diogènes geduldig zijn hand uitstak.
Hij heeft me beetje bij beetje, dag na dag, getemd,
Me de kans gegeven op een dak boven mijn hoofd, een nieuwe adem, nieuwe hoop,
Van fysieke pijn tot psychologische problemen,
Mijn handen hebben de pen opgepakt om mijn leven te helen,
Ik schrijf ook voor de Immenses, en voor degenen die zijn vertrokken,
Zodat hun levens nooit in de vergetelheid raken.
En vandaag
Vindt er een wonder plaats binnen onze muren,
Onder het plafond van Diogenes,
Ver weg van de moeilijke tijden,
Het weer dat te vaak nat is,
Ik ga niet naar het paleis, nee,
Het is de koning die hier komt,
Om onze strijd, onze beproevingen en onze dankbaarheid te eren.
De eer komt binnen, de koning luistert naar de straat.
Sire, ontvang deze verzen, geboren uit het lawaai van de straat,
Uit de oorverdovende stilte van de daklozen,
Getuigenis van een man die zijn rechten heeft teruggevonden.
Van mijn tent naar de pen was de weg gigantisch,
Dankzij Diogenes behoud ik mijn geloof,
Ze doen enorm veel werk.
Jonathan Carrier
alias
Jodycar