Straathoekwerk
met thuislozen
Bel ons
lockdown

Covid-19 en lockdown

De lockdown van maart 2020 bekeken vanuit het perspectief van een straathoekwerker

Filip Keymeulen vertelt zijn ervaring van de eerste lockdown tijdens de covid-19 pandemie. Deze tekst werd gepubliceerd in het handboek Integrale Jeugdhulp van januari 2021.

Mel en La Flanelle zijn twee figuren die een leven leiden in de roman ‘Alhambra’. Ze zijn dakloos of hangen rond in het milieu. Het verhaal speelt zich af voor de COVID-19-crisis. In het fragment dat volgt, worden de twee vriendinnen geconfronteerd met de nieuwe realiteit die gepaard gaat met de lockdown.

Zaterdag 21 maart 2020, Bloemenhofplein, 1000 Brussel, avond. ‘Fils de pute!’, krijst La Flanelle door de lege straten. Het is de eerste dag van de lente, net voor middernacht. Ze bevindt zich op de rand van een fonteintje op nog geen honderd meter van de Beurs. ‘Sale rasse! Je vous encule tous!’, bijt ze verder van zich af naar niemand rond zich. Tussen het schelden door neemt ze de tijd om zich in de ogen te wrijven en te spuwen. Regelmatig knijpt ze haar neus dicht en snuit luid. De hoop die er was om water in de fontein te vinden blijkt vergeefs. Het duurt zeker een dik uur voordat de frequentie en het volume van het schelden dalen. Huilbuien vervangen stilletjesaan de scheldtirades. Telkens als ze zich weer in de ogen wrijft, brandt alles terug als van tevoren en doet haar neus haar snotteren. De pijn in haar ogen gaat gepaard met kortademigheid en een drukkende hoofdpijn. Ze schreeuwt niet meer, maar kermt. Ze spreekt niet alleen zachter, ook de hardheid van haar scheldwoorden tempert ze. Als ze zich voordien vooral de flik voor de geest haalde die haar dit had aangedaan, vloekt ze nu eerder op zichzelf. ‘Andouille que tu es!’. Ze huilt haar emoties uit. Op één enkele auto en veel combi’s na, blijft het pleintje leeg.

Zaterdag 21 maart 2020, Alhamdrawijk, 1000 Brussel, ochtend. Er is die dag een kat- en muisspelletje gaande met de politie. Wanneer ze daar ’s morgens vroeg uit de metro komt, wordt ze onmiddellijk door de politie aangesproken en verwittigd. Ze sommeren haar dat niemand in de wijk mag werken. Elke dame die probeert te ronselen, zou voor twaalf uur en zonder pardon in de cel belanden. Het is al enkele dagen verboden en La Flanelle weet dat maar al te goed. Het heeft haar al vanaf dag één van het verbod aardig in de problemen gebracht. Sekswerk is haar enige bron van inkomsten en die staat plots droog. Venten vinden die van haar diensten gebruik willen maken is elders in de stad een stuk moeilijker en niet zonder gevaar. Ze ziet er zo wanhopig uit, dat die eikels het aandurven om te marchanderen over de prijs. Ze moest voordien echt in hoge nood zitten, wou ze voor twintig euro of minder door de knieën gaan. De laatste die ze vrijdagavond heeft afgewerkt wou maximaal 5 euro betalen. Met tranen in de ogen heeft ze hem in een ‘photomat’ van het Centraal Station laten klaarkomen.

Ze zit in een echt moeilijke situatie. De skills die ze heeft om al die jaren door te komen, zijn plots ontoereikend. Het is niet zo dat ze geld opzij heeft staan waarmee ze deze periode kan overbruggen. Het hotel was betaald tot donderdag en alhoewel ze een vaste gast is, moest ze, als de betaalde dagen eenmaal voorbij waren, de kamer verlaten. Ze heeft dan wel een adres bij het OCMW, maar trekt geen steun. Van de mensen rond haar die wel over een leefloon of een andere uitkering beschikken, is het geld al op. Bij hen valt er niets te rapen.

Ze heeft eerder die week vernomen dat haar dealer in elkaar is geklopt en in Sint-Jan op intensieve ligt. Ze hoopt dat hij erdoor komt en nadien niet in de gevangenis belandt. Die knul heeft iets. Altijd goedlachs en relaxed genoeg om haar dosissen voor te schieten en af en toe wat cadeau te doen. Ze vindt hem best knap. Soms kan ze bij hem een hoeveelheid scoren voor een prijsje en start ze zelf een handeltje op. Met hem in het ziekenhuis zit dat er niet in. Maar misschien heeft dat haar voor veel miserie behoed. De agressie rond de drugshandel zal de komende weken hoog oplopen. Net op hetzelfde moment dat het sekswerk en het uitgaansleven in het algemeen aan banden worden gelegd, lijken de verkopers van cocaïne en heroïne ook onder druk te komen. Dat zorgt voor spanningen onder dealers en gebruikers. Het niveau van de producten gaat razendsnel achteruit omdat er nog meer versneden wordt. Ondanks deze povere kwaliteit worden de drugs toch prijziger.

Na haar eerste contact met de politie trekt ze naar Ribaucourt, waar het haar heel wat moeite kost om iets te vinden. Ze gebruikt een beetje in een hoek van het verlaten metrostation en wandelt nadien Molenbeek door, om aan de Vlaamse Poort het kanaal over te steken en via de Dansaertstraat naar het Beursplein te gaan. De coke geeft haar een stevige pas. De cafés en McDonald’s, die uitgeven op het plein, zijn dicht. Op zaterdagen heerst er normaal gezien een drukte in het centrum, maar alhoewel de voormiddag al ver gevorderd is, is de stad vrij desolaat. De straten zijn zo goed als leeg.

De trappen van de Beurs en de zitbanken op de boulevard zijn met politielinten afgesloten. Het straatmeubilair lijkt wel versierd te zijn met blauwwitte slingers. Maar daar trekken de daklozen, kennissen van La Flanelle, zich niets van aan. Enkel op de bank aan McDonald’s zit heel wat bekend volk. Van ver kan men zien dat het gezelschap geagiteerd is. Dat maakt, hoe leeg de stad ook is, de sfeer grimmig. Enkele daklozen nemen grote slokken sterke drank en geven, na lang discussiëren, de flessen door. Sommigen hebben een blikje bier in de hand en nippen er zuinig van. Iedereen heeft honger en de meesten zijn moe. Mel is één van hen.

De jonge dakloze vrouw loopt rood aan en is boos op een aantal van hen. Ze werkt haar woede op iedereen uit, maar in het bijzonder op de vent naast zich. Zelfs tegenover haar vriendin La Flanelle is ze allesbehalve hartelijk wanneer die puffend arriveert. Mel staat geregeld op en tiert op haar buurman. Kijvend, voorovergebogen, op de tippen van haar tenen, verwijt ze hem dat hij er de oorzaak van is dat ze weeral op straat gaat terechtkomen. Hij mocht de afgelopen avond mee naar haar studio, maar hij had dat niet verzwegen en had anderen uitgenodigd. Ze waren met te veel en hadden heel wat kabaal gemaakt. Zo luid, dat de buren zijn komen klagen. Niet één keer, maar wel vijf keer. Op het laatste had de buurman de politie verwittigd. Ze is bang om haar woning al te verliezen, en dat na zoveel jaren op een wachtlijst te hebben gestaan.

Ze is niet alleen bezorgd over de klachten rond lawaaihinder die tot bij haar sociaal assistente zouden geraken. Als de sfeer zodanig uitgelaten is, loopt haar studio telkens schade op. Afgelopen nacht heeft iemand op een onverklaarbare manier het toilet kapot gekregen. Sindsdien blijft het water alsmaar lopen. Een vorige keer had iemand zijn peuken gewoon op de grond laten vallen en waren er gaatjes gebrand in het vinyl. Zelf heeft ze het ook al een paar keer verknald, zonder dat ze het op iemand anders kon afschuiven. De eerste week dat ze er woonde, had ze haar sleutel binnen vergeten. In plaats van een reservesleutel te gaan halen bij het verhuurkantoor, had ze haar deur ingebeukt. Vanaf dan sluit die iets minder goed af en geraakt iedereen binnen die er maar een beetje druk op uitoefent. Mel durft al een tijdje haar telefoon niet meer op te nemen uit vrees dat het de mevrouw van het sociaal verhuurkantoor is om haar de les te spellen, of erger, om haar het einde van het huurcontract mee te delen.

De onderlinge spanningen op het bankje zijn ook te verklaren door een algemeen tekort. Er is een tekort aan sigaretten, niet iedereen heeft iets te drinken en er heerst honger. Diegenen die aan het drinken zijn, zijn al bezorgd over hoe ze aan een volgende fles of blikje zullen geraken. Het ontbreekt iedereen aan geld om zich te voorzien. Voor de winkel staan rijen en er zijn veel veiligheidsmensen om het winkelbezoek in goede banen te leiden. De snackbars zijn dicht en er passeren deze week geen vrijwilligers om voedsel uit te delen. Sommigen zijn huilerig door de honger. Iedereen is moe. Ofwel hebben ze de nacht doorgebracht bij iemand die over een woning beschikt, maar was de ambiance daar er niet naar om te kunnen slapen, ofwel zijn ze buiten gebleven en zijn ze telkens door de politie gewekt met de opdracht de openbare weg te verlaten.

Hun gemoedstoestand maakt dat ruzies telkens weer dreigen op te flakkeren. Nochtans heeft hun onderlinge omgang vaak een affectief accent. Wanneer La Flanelle arriveert, geeft ze iedereen een knuffel of een kus. Ze kruipen allemaal kort tegen elkaar aan en respecteren niet de afstand die affiches, politie en drones hen opleggen. Ze zijn promiscue, onderling handtastelijk. Ze lijken in het fysieke contact een soort van troost te vinden.

Af en toe passeren mensen uit de buurt die hun woning ontvluchten om een luchtje te scheppen. Telkens wanneer passanten in het vizier van de bank komen, worden ze aangesproken voor een sigaret of een centje. Af en toe vriendelijk, maar vaak niet, de toon is veeleer eisend en half dreigend. Wie hen tijdig opmerkt, loopt met een boog om het bankje heen. Kort na de middag stoppen er abrupt twee combi’s. Uit elke auto stapt een zestal agenten, die onmiddellijk op de mensen schreeuwen. Ze mogen geen groep vormen of blijven staan en zeker niet zitten. Stappen moeten ze doen, wandelen, voortbewegen. Iedereen die niet onderweg is, is in overtreding. Gedwee staan enkele mensen op en vertrekken. Anderen blijven ostentatief zitten, onder wie La Flanelle, en volgen de
bevelen pas op wanneer de politie dreigt met geweld, traangas en arrestaties. Dit schouwspel zal zich die dag nog enkele keren herhalen en dat tot laat in de avond.

Zaterdag 21 maart 2020, Beurs, 1000 Brussel, avond. La Flanelle zit met Mel op de dorpel van de Exki. Bij de vorige passage had de politie een deel van de mensen opgepakt en afgevoerd. De twee dames waren net op tijd vertrokken en zo ontsnapt aan een nachtje cel. Ze roken samen wat coke en alhoewel ze beiden moe zijn, maakt de dope hen speedy en gericht alert. Het koppel is zo geconcentreerd met het pijpje bezig en met de andere in het oog te houden zodat die niet meer dan haar eigen deel zal gebruiken, dat ze niet merken dat de politie hen alweer aan het insluiten is. ‘Alors, on s’amuse ici?’, onderbreekt de agent met de meeste strepen het tafereel. De rokers schrikken, maar voor ze goed en wel kunnen reageren, trekken de agenten de dames hardhandig omhoog en worden ze tegen de muur geduwd. Bij het handgemeen valt het envelopje met de coke en het glazen pijpje op de grond. De drugs liggen verspreid over de tegels en het glazen pijpje spat uiteen. Uit reflex draait Mel zich om en haalt uit naar het hoofd van de agente die haar in bedwang probeert te houden. Ze mist de vrouw net. Andere agenten bemoeien zich ermee en bespuiten Mel met een grote hoeveelheid traangas. Ze schreeuwt het uit en laat zich op de grond vallen. Twee agenten doen alle moeite om haar te boeien. Ze spartelt en roept naar haar vriendin. La Flanelle wil tussenkomen, maar op het moment dat ze zich omdraait van de muur om naar het meisje te gaan, krijgt ze eveneens traangas over zich heen. Ze slaat de handen voor de ogen en vloekt. ‘Enculé!’. Ze krijgt een duw en enkele agenten manen haar aan het af te trappen. ‘Dégage d’ici!’, blaffen ze haar af. Terwijl Mel wordt meegesleurd, strompelt La Flanelle vloekend weg van de Beurs. ‘Putain de sa mère!’. Ze heeft water nodig en hoopt dit te vinden in de fontein van het Bloemenhofplein.

Als straathoekwerker voor Diogenes vzw zou ik graag Mel of La Flanelle leren kennen en met hen een parcours afleggen.

1. Diogenes vzw


Diogenes vzw is een organisatie die in Brussel aan straathoekwerk doet en er zich richt tot de daklozen. We zijn gevestigd in 1000 Brussel, maar we zijn actief in heel het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. We zijn in 1995 opgericht met de oorspronkelijke bedoeling om een link tussen de straat en de toenmalige onthaaltehuizen te vormen. Al vlug kwamen de collega’s van toen tot de conclusie dat nachtopvang en andere opvanginitiatieven antwoorden waren op niet gestelde vragen. De mensen die op straat bleven en de uitgestoken hand weigerden, waren niet zorgmijdend. Ze waren gewoonweg selectief en het aanbod, op het einde van de jaren negentig, sloot niet aan op hun noden. De straathoekwerkers van toen, nauwelijks vijf, gingen met deze gegevenheid aan de slag. Onze stiel speelt zich af in de publieke ruimte tussen de mensen. Via veelvuldige contacten gebeurt er op den duur iets. We bouwen een relatie op en gaan daarmee aan de slag. Mettertijd komt wat knelt naar boven en trachten we daar een antwoord op te bieden. Het cliché wil dat we werken naar wonen, maar vaak sturen de parcours samen met de mens in kwestie ons andere richtingen uit om al dan niet tot huisvesting te komen.

Men zou kunnen stellen dat we relationeel aan mensenrechten werken. Onafhankelijk van welk verblijfsstatuut iemand al dan niet heeft, is er een aantal rechten waarop een persoon zich kan beroepen. Vaak worden die geschonden. We zoeken met de mensen naar partners om deze rechten te laten gelden, maar ook om hun administratieve, medische en familiale situatie aan te pakken. We permitteren ons de tijd die nodig is.

Doorheen de jaren zijn er in de schoot van Diogenes enkele initiatieven ontstaan om aan welbepaalde noden van het team en de realiteit van de Brusselse daklozen tegemoet te komen. Ons personeelsbestand is zo opgelopen, dat we nu net geen dertig collega’s hebben. We hebben onder andere geïnvesteerd in interculturele benaderingen van bepaalde groepen zoals de Roma en de Poolse daklozen.

De meeste daklozen, hoe kan het ook anders, zijn op zoek naar een woning. We zagen al heel snel in dat de zoektocht alleen niet het enige probleem was. Een woning vinden en betreden is één ding, het behouden een ander. Mensen kunnen, zeker in het begin, hulp gebruiken voor de nodige administratieve demarches. Als de euforie rond het betreden van een woning eenmaal is gaan liggen, worden ze vaak geconfronteerd met de problematieken waarom ze indertijd dakloos zijn geworden. Om hieraan tegemoet te komen is ‘Soutien Logement’ opgericht. Een deel van degenen die de stap naar wonen hadden gezet, kampten met eenzaamheid en vermeden hierdoor zelfs hun woning. Samen met partnerorganisaties maakten we dat mensen konden samenwonen in het project ‘Solidair Wonen’. We waren mee initiatiefnemer in de Housing First-beweging in Brussel en hebben Station Logement opgericht. Deze HF-werking richt zich op mensen die én een verslavingsproblematiek hebben én met mentale problemen kampen. Daarnaast oriënteren we ons vooral naar kandidaten die de trein- en metrostations gebruiken als leefruimte. Eind 2019 zijn we mee in het ISUE-project gestapt. In deze samenwerking konden we, oorspronkelijk bedoeld om de winter 2019- 2020 te overbruggen, dakloze mensen een transitwoning aanbieden.Omdat we de kans hadden dit gratis aan te bieden, richtten we ons vooral op mensen met een kwak in hun verblijfsstatuut.

Het aanbieden van een woning kan rust brengen op een manier waarop een winteropvang dit niet kan en doordat ze zich kunnen inschrijven in de gemeente, zetten ze wellicht een volgende stap naar een geldig verblijf dat toegang geeft tot diverse grondrechten zoals werk, medische zorgen, eventueel een uitkering, e.d.

Wat het basisstraathoekwerk en al deze projecten gemeen hebben, is de insteek: die is relationeel en structureel. Waar we in Diogenes niet aan doen, is noodhulp. Je krijgt van ons geen koffie, we nemen er samen één. We lopen niet rond met kledij om ze te kleden of sleuren niet met thermoskannen soep of koffie, zoals de vele andere organisaties die in Brussel hun toer doen.

Zonder dat we het Collectief van de Straatdoden kunnen claimen als zijnde een dienst, een onderdeel van Diogenes, investeren we hierin enorm. Het Collectief is een feitelijke vereniging in Brussel van mensen die werkzaam zijn in de sector, (ex-)daklozen, vertegenwoordigers van de verschillende religies en enkele andere vrijwilligers die zich deze materie aantrekken. Ze zorgen ervoor dat een overledene die als straatbewoner geïdentificeerd wordt, een menswaardige begrafenis krijgt. Sinds de oprichting van dit Collectief in 2005 offert Diogenes minstens het equivalent van één halftijdse op om dit in goede banen te leiden.

2. Hulpverlening in lockdown

De straathoekwerkers voor Diogenes vzw en de collega’s die mensen in hun woonst begeleiden zijn actief gebleven op het terrein gedurende de COVID-19-periode. Het was de eerste keer dat ons vanuit de directie en de raad van bestuur duidelijke regels werden opgelegd om ons werk in zo veilig mogelijke omstandigheden te blijven voortzetten. Die regels werden in een vademecum genoteerd. Het document gaf ons niet alleen een houvast, maar het moedigde ons ook aan om voor onszelf en elkaar te zorgen. Het werd geregeld aangepast aan de steeds veranderende inzichten toen. Iedereen kon in alle vrijheid kiezen om ofwel op het terrein actief te zijn, ofwel te telewerken.

Het gaf ons de kans om aanwezig te blijven tussen de daklozen. In eerste instantie leken we te vervallen in noodhulp. De situaties waarin de mensen toen verkeerden drongen ons dat op. Plots reden we rond met voeding voor diegenen die woonden en diegenen die op straat zaten. Al vrij snel stapten we over op onze corebusiness: relationele contacten met de mensen onderhouden en hen helpen hun rechten te laten gelden. De impact op de mensen was enorm, de daklozensector kraakte en zuchtte, maar lanceerde toch ook enkele mooie initiatieven om de mensen op een zo humaan mogelijke manier op te vangen.

3. Armoe troef

We werken al vijfentwintig jaar met mensen wie het aan de meest basale zaken ontbreekt en toch waren we nog nooit zo hard geconfronteerd geweest met deze graad van miserie. Het begrip armoede kreeg een nieuwe dimensie. De daklozenpopulatie bestaat uit mensen die geen regulier inkomen hebben of die leven van een uitkering waarvoor statistisch gezien de maanden te lang zijn. Toch heeft het tot maart 2020 geduurd eer we armoede, botte armoede, in deze harde puurheid aanschouwden. Wat al die jaren in armoederapporten werd omschreven, was plots zo visueel als een karikatuur.

17 maart en het land gaat in lockdown. De kranten staan vol over mensen die rantsoeneren. Het leek of iedereen mee op de winkelkar sprong om het laatste wc-papier uit de rekken te sleuren. Iedereen, maar niet de mensen in armoede. De tweede helft van de maand blijft er zo bitter weinig meer over, dat meer mensen dan we ons willen voorstellen gebruik moeten maken van alternatieven zoals de voedselbank of voedselbedeling. Veel mensen hadden de financiële middelen niet om zich op een comfortabele manier thuis te installeren.

Het feit dat mensen het einde van de maand niet halen met hun inkomen is gekend. We weten hoeveel ongeveer een alleenstaande of een gezin nodig heeft om rond te komen en we weten dat de uitkeringen daar diep onder zitten. De coronacrisis legde dit alleen maar bloot. Er waren geen circuits meer waar mensen nog iets bij elkaar konden sprokkelen. Voedselbanken waren die eerste week dicht en er waren nergens voedselbedelingsinitiatieven meer actief in de stad. Wanneer madamsoep, een kleurrijk figuur die wekelijks soep komt uitdelen aan de daklozen, zich met haar thermossen vertoonde, werd ze door de politie aangemaand om te vertrekken. Onder het publiek heerste er op dat moment honger. Dat was een heel nieuw gegeven.

Er zaten tijdens de lockdown heel wat mensen op straat. Ze vielen in die periode bijzonder hard op. Al lang voor er sprake was van de coronacrisis, heerste er in onze hoofdstad een huisvestingscrisis. Sinds de jaren negentig wordt deze crisis aangeklaagd en vallen er grote beloftes die niet worden nagekomen. Brussel biedt niet genoeg betaalbare woningen aan. De uitkeringen waarop sommige mensen recht hebben, zijn daarnaast te laag om op de privémarkt een betaalbare degelijke woning te vinden.

Er was toen heel veel te doen rond hoe de reguliere economie in het rood ging en tijd zou nodig hebben om te herstellen. Men sprak niet van de parallelle economie: zwartwerken, sekswerk, bedelen, drugshandel. Ook in die sectoren gingen mensen overkop, was er plots inkomensverlies en werd dit nergens gecompenseerd. Het feit dat sekswerk zich in de schemer afspeelt, maakt dat we als maatschappij daar niet op een degelijke manier kunnen ingrijpen om erger te voorkomen. Het verbod op sekswerk deed de activiteiten niet stoppen, maar duwde de heren en dames nog verder de duisternis in, nog verder in situaties waar uitbuiting en gezondheidsrisico’s schering en inslag zijn.

Niet alleen vielen de kansen in de marge weg, ook het reguliere waarop ze in normale omstandigheden een beroep kunnen doen, was verstoord. De meeste organisaties pasten hun dienstverlening aan. Dit kwam vaak neer op een beperkter aanbod en een toegang met obstakels. Zo was het moeilijker om verzorgd te worden in de wijkgezondheidscentra, kreeg men moeilijker een afspraak vast bij een dokter van de ambulante drughulpverlening, kon men zijn dagen niet meer slijten in het buurthuis. Dit had veel impact op de dagstructuur van de mensen.

Men zag die weerslag ook op het gedrag van de mensen. Sommigen waren geagiteerd, anderen leken in hun schelp te kruipen en waren bang. Nog anderen, die al neiging hadden om psychoses te ontwikkelen, werden echt paranoïde en vertoonden heel bijzonder gedrag. We zagen ook veel mensen uit hun woonst trekken omdat ze het binnen de muren niet konden uithouden.

4. Drempels

Ik wil niet veralgemenen en ik weet dat er op verschillende plaatsen initiatieven zijn ontstaan om toegang te blijven verlenen, maar die eerste weken was het in Brussel zo goed als onmogelijk om je sociaal assistent van het OCMW te zien. Het was heel moeilijk om zonder ondersteuning een nieuwe vraag om hulp te stellen, laat staan alle documenten bij elkaar te sprokkelen die nodig zijn. Diensten die voordien fysiek toegankelijk waren, sloten plots de deuren en gingen online. Zowel om een identiteitskaart of een bankkaart aan te vragen als om een stempelkaart te bestellen en in te dienen, had men plots toegang nodig tot het web. Wie tot voordien zelfredzaam was en zelf een vraag bij het OCMW kon stellen zonder de hulp van derden, werd plots hulpbehoevend. Dit was niet omdat de collega’s van die diensten van slechte wil waren, maar omdat de toegangspoorten knelden.

In de media is de crisis heel sterk bekeken door de bril van de middenklassers. Men sprak over hamsteren, telewerken, er werden interviews afgenomen van gezinnen in hun tuin. Zelden kwamen er overvolle, te kleine appartementjes uit een grootstad in beeld met de vraag hoe zij het (niet) redden. Diezelfde logica gold voor de oplossingen die aan de mensen werden aangeboden. Eveneens gericht op mensen met tools zoals een computer, een internetverbinding, knowhow en een identiteitskaart. Ontbrak het je aan een van die schakels, dan kon je het wel schudden.

Toch werd van de daklozen verwacht wat van iedereen werd verwacht. Ze moesten en zouden hun kot in gaan. Iedereen is iedereen, zo ook de daklozen. De winter- en nachtopvang was gesatureerd en de toegang werd bemoeilijkt door allerhande regels om het virus buiten te houden. Dat gold ook voor de onthaalcentra. Uit angst om iemand besmet met het virus binnen te krijgen, verplichtte men de mensen om eerst in quarantaine te gaan. In sommige centra zette men de nieuwe bewoners ter plekke in quarantaine, in andere centra verwachtte men dat de afzondering elders plaatshad. Zo waren er centra die mensen enkel onthaalden na een passage in de Humanitaire Hub van Dokters van de Wereld of na een opname in het ziekenhuis. De omgangsregels in de onthaaltehuizen
en de sociale urgentie werden zodanig aangescherpt, dat het voor veel bewoners onmogelijk werd die na te leven.

5. Politie

De dwang om zich te isoleren werd uitgeoefend door de politie. Dagelijks waren er confrontaties tussen agenten en daklozen. Systematisch werden ze aangesproken, moesten ze zich verplaatsen, werden ze administratief opgepakt. Stilstaan mocht niet, zitten al zeker niet. Waren wij als straathoekwerkers in gesprek met hen, dan werden we gestoord en eveneens gevraagd om te vertrekken, ons te verplaatsen. We werden geridiculiseerd en zelfs met arrestatie bedreigd, ook al hadden we een schriftelijke toelating om in de openbare ruimte te zijn. Ik zou hier heel graag genuanceerd over communiceren, want er zijn inderdaad ook goede verstandhoudingen met de politie, met respect voor ieders deontologische code. Niet alle agenten waren agressief tegenover de mensen of tegenover ons. Sommigen hadden begrip voor de situatie. Maar de talloze incidenten en aanvaringen die er geweest zijn, verdragen geen vorm van nuance.

Het politionele optreden ging vaak gepaard met vernederende opmerkingen en geweld. Verscheidene mensen spraken over naaktfouilles. Het zou er in de combi’s en in het politiebureau aan toegaan. Een mevrouw vertelde me dat ze werd uitgescholden voor ‘hoer’ toen ze werd buitengezet uit het metrostation Anneessens. Bovendien waren er agenten die haar naar het hoofd slingerden dat ze geen ‘echte vrouw’ is.

Als burgers zaten we in de eerste coronagolf allemaal binnen om de kudde die we samen vormen te beschermen tegen het virus. Een logisch gevolg was dan ook dat er geen kudde meer was om individuen zoals deze dame te beschermen. De straat was niet safe, een toevlucht zoeken als couchsurfer bij iemand thuis was niet veel veiliger. In een context die zo weinig alternatieven biedt om beschutting te vinden, ontstaan er heel snel toestanden van uitbuiting op verschillende vlakken.

Enkele nachten nadien werd deze dame in het verlaten station aangerand en verkracht. Met horten en stoten heeft ze ons dat verhaal verteld. De ervaring met de man in uniform die haar uitgescholden had, maakte dat we haar niet konden overtuigen hier iets mee te doen. We weten dat de zedensectie van de Brusselse politie schitterend werk verricht. Deze collega’s zouden alle tijd nemen om deze dame te aanhoren. Maar we krijgen geen toestemming van haar om hierin ook maar enige actie te ondernemen.

De confrontaties met de politie stopten niet na de eerste lockdown. De strijd voor de openbare ruimte zet zich verder. Maatregelen die dienen om het virus aan banden te leggen, worden gebruikt om daklozen te viseren. De regels lijken meer op hen van toepassing dan op anderen. Zo worden ze duidelijk geviseerd en veel actiever aangesproken en bestraft dan andere leden van de bevolking als het gaat over samenscholing en het dragen van het masker. De avondklok en het alcoholverbod in het centrum van Brussel helpen niet om de spanning tussen de politie en de daklozen te temperen.

In 1993 werd de wet op de landloperij afgeschaft. Men was tot het inzicht gekomen dat het criminaliseren van mensen die dakloos zijn een compleet voorbijgestreefde manier van aanpakken is. Ik meen, uit de ervaringen van de afgelopen zes maanden, een zekere kentering te zien. Het lijkt wel of de slinger terug aan het slaan is. Ik heb mensen weten gearresteerd worden, niet om wat ze deden maar om wie ze zijn, namelijk dakloos. Ik vind dit een heel foute tendens en ik ben bang om te zien tot wat dat gaat evolueren.

We zijn vanuit Diogenes vzw niet bij de pakken blijven zitten. Zo gaan de straathoekwerkers vaak met de agenten op het terrein in gesprek en namen we deel aan vergaderingen met de korpschefs van het gewest om onze bevindingen mee te delen en onze bezorgdheden te uiten. In samenwerking met enkele advocaten zijn er procedures tegen GAS-boetes gestart. Er is één situatie die tot bij het Comité P is geraakt. Over onze ervaringen met de politie hebben we een artikel gepubliceerd in dewereldmorgen.be.

6. Hoop

De hulpverleningscontext waarin we werkten was in eerste instantie verschraald. Er waren minder diensten toegankelijk. Toch, en laat dat een lichtje zijn dat fel mag schijnen, zijn er in die periode ook mooie initiatieven en samenwerkingen ontstaan.

Diensten die gereduceerd bleven doorwerken met hun doelpubliek, vonden ook steeds meer achterpoorten om, met respect voor de veiligheidsvoorschriften, toch ook hun opdrachten van voor de crisis te blijven voortzetten. Zo was de onthaalruimte van Puerto maar beperkt open, maar werkten de collega’s op het trottoir om met de mensen in gesprek te gaan. Hartverwarmend om te zien hoe men de knuffel of kus ter begroeting daar even hartelijk verving door elkaar met de elleboog aan te raken. Puerto is een dienst van het CAW van Brussel die thuislozen en ex-daklozen begeleid laat wonen. Naast het anders organiseren van hun onthaal zetten ze ook in op het beter installeren van hun cliënten. Ze zetten giften en fondsen in om voor hun cliënten spullen te kopen, zoals tv’s en andere mediatoestellen. Dat was niet uit liefdadigheid maar om te maken dat mensen middelen hadden om zich te houden aan de lockdown en zoveel mogelijk thuis te blijven. Deze dienst bleef ook mensen installeren in woningen en startte tijdens deze crisis nieuwe begeleidingen op.

We zagen dit ook bij onze eigen organisatie. Waren we die eerste dagen plots bezig met noodhulp, iets wat we voordien nooit gedaan hebben. We deelden gsm’s uit aan de meest zwakke mensen om, mochten we uitvallen door zelf ziek te worden of mocht het beleid ons toch dwingen om thuis te werken, met hen in contact te kunnen blijven. Het was in het begin echt aanpassen ook en het zag er niet naar uit dat ons team er zonder kleerscheuren zou doorkomen. Maart is altijd al een maand van verkoudheden geweest en dat was dit jaar niet minder. De symptomen zijn niet zo heel gemakkelijk te onderscheiden van COVID-19. Dat maakte dat veel collega’s in die periode thuiszaten met misschien wel een banale verkoudheid, maar dat kon toen niet uitgemaakt worden. Die eerste weken waren we serieus onderbemand.

Gelukkig vonden we ons evenwicht terug en schakelden we snel over op onze corebusiness. We zochten mensen op om hen op verhaal te laten komen en we zetten zoals voordien heel erg in op mensenrechten, werkten naar huisvesting en gezondheid. Zo hebben we van half maart tot eind mei meer dan dertig mensen op een duurzame manier laten wonen.

Andere organisaties leken plots een compleet andere vorm aan te nemen en switchten helemaal van functie en zelfs van doelgroep. In plaats van nieuwkomers die artistieke ambities hebben te ondersteunen, nam het Open Kunstenhuis Globe Aroma zijn intrek in de Beursschouwburg om de daklozen te voorzien van koffie en een maaltijd. Het dagcentrum Hobo stopte met het aanbieden van vrijetijdsbesteding aan dak- en thuislozen en maakte van zijn toegang een loket waar mensen hun gsm konden opladen, zich opfrissen, een koffie of een kleine maaltijd nuttigen. Ze konden er ook via het internet in contact komen met hun sociaal assistent. Samenlevingsopbouw vzw stopte haar acties en verzamelde voedsel dat ze via verschillende organisaties, waaronder Diogenes vzw, verdeelde onder de mensen die het nodig hadden. Al deze voorbeelden zouden me op andere momenten de wenkbrauwen doen fronsen en ik zou het catalogeren als liefdadigheid, maar het was toen o zo nodig en welkom.

7. Coalition of the willing

Het was mooi om te zien hoe organisaties zich flexibel opstelden, hun eigen opdracht zelfs enkele maanden tussen haken zetten om humanitaire hulp te bieden. Maar ook in diensten of organisaties die zich niet flexibel opstelden, zagen we dat sommige werkers meer ruimte innamen en procedures en regels naast zich neerlegden om er toch voor te zorgen dat mensen tot hun recht kwamen. We zagen dit in wijkgezondheidscentra, publieke diensten zoals het OCMW of de bevolkingsdienst, maar ook in ziekenhuizen en sociaal verhuurkantoren. Zo kregen we meermaals de toestemming om zonder afspraak met iemand op de bevolkingsdienst te verschijnen, om zo aan een identiteitskaart te geraken en slaagde een collega bij het OCMW erin een dossier om met enkel een heel slechte onduidelijke kopie van een identiteitskaart iemand binnen de week een OCMW-uitkering en referentieadres te geven.

Die flexibiliteit heeft heel veel kansen gecreëerd en zelfs situaties gedeblokkeerd die al vastzaten van voor de coronacrisis. In de literatuur noemen ze dit discretionaire ruimte. Wroeten zoals een moddervis om beweegruimte te verkrijgen. Niet dat er echt gezondigd werd tegen regels en procedures, ze werden gewoon gerelativeerd en men deed zijn job of vervulde zijn functie op een zeer basale, zuivere manier. Men schreef iemand in een register in, men zorgde ervoor dat iemands OCMW-steun rond geraakte en men gaf iemand toegang tot wonen.

8. Mensenrechtenberoep

We zitten in tijden waarin we ons moreel kompas als sector en als maatschappij riskeren te verliezen. Er wordt een algemeen belang naar voren geschoven dat ons dwingt om dringende maatregelen te nemen. Nog meer dan anders lijkt iedereen zich hetzelfde gareel aan te meten en zich te voegen. Alles gebeurt zo snel, dat er geen rekening wordt gehouden met de zwaksten, met diegenen die niet de middelen hebben om zich aan te passen. De coronacrisis heeft deze hete hangijzers zichtbaar gemaakt. Ze geeft armoede een smoel en legt de wooncrisis bloot. Het bewijst dat bepaalde activiteiten, zoals sekswerk, uit de marge moeten worden gehaald. De strijd voor de publieke ruimte, en daarbij het criminaliseren van dakloosheid en armoede, laait hoog op. Wanneer repressie en drempels antwoorden worden op precaire situaties, hebben wij als sociaal werkers een taak te vervullen. Onze job is nog meer dan voorheen een mensenrechtenberoep.